Ondanks een dalende afzet van gewasbeschermingsmiddelen (7,5 mln kg werkzame stof in 2023, 31% van 2011, CBS/CLO) daalt het werkelijke gebruik minder hard (structureel ~50% van de afzet) en groeit het areaal intensief bespoten teelten. RIVM meet bij omwonenden (30% van de bevolking woont <250m van landbouwgrond) verhoogde blootstelling: 10x hogere luchtconcentraties, 5x hoger huisstof, en detectie van meerdere stoffen (o.a. chloorprofam 82%) in urine. RIVM noemt het verband tussen gewasbeschermingsmiddelen en neurodegeneratieve ziekten (Parkinson) 'plausibel', zonder dat er een Nederlands kwantitatief risicocijfer (odds ratio) beschikbaar is. Waterkwaliteitsdoelen (Gezonde Groei, Duurzame Oogst: 90% reductie normoverschrijding) zijn niet gehaald; het ecologisch risico concentreert zich in 3 insecticiden die 90% van het risico vormen bij 0,1% van het verbruiksvolume.
Het toelatingsstelsel toetst per werkzame stof op basis van 'veilig tenzij schadelijkheid bewezen' in plaats van het grondwettelijk beschikbare voorzorgbeginsel; de bewijslast ligt hiermee feitelijk bij de samenleving. Er is geen wettelijk instrument dat producenten van pesticiden laat meebetalen aan de milieu- en (potentiele) gezondheidsschade (geen producentenverantwoordelijkheid, in tegenstelling tot bijvoorbeeld verpakkingen). Daarnaast schiet de handhaving van bestaande voorschriften structureel tekort (zie Analysis Handhaving milieuwetten, subject 78), waardoor zelfs de huidige, niet-voorzorgsgerichte norm onvoldoende wordt gecontroleerd.