De omvang van de Nederlandse veestapel is de gemeenschappelijke oorzaak van meerdere problemen die nu vaak los worden aangepakt: stikstof, mest, water, klimaat, ruimtebeslag, dierenwelzijn en gezondheid. In 2025 telde Nederland 3,64 mln runderen, 9,77 mln varkens, 87,7 mln kippen en 0,63 mln geiten op 1,79 mln ha cultuurgrond (CBS). De veestapel produceerde 74 mld kg mest met 439,6 mln kg stikstof en 141,5 mln kg fosfaat; rundvee levert ca. twee derde van de stikstof. Nederland staat 18e van 18 op stikstofoverschot (164 kg N/ha), 69,9% van de landnatuur krijgt te veel stikstof. De landbouwexport was 137,5 mld euro. Tegelijk financiert de overheid de omvang mee via regelingen (landbouwvrijstelling 1,4 mld, OVB-vrijstelling 343 mln, zuivelvrijstelling 326 mln, GLB-basisbetaling 338 mln, borgstellingskrediet 60 mln) en besteedt zij 20 mld aan de stikstofpot. PBL: zonder generieke korting van 5-10% van de dierrechten wordt het ammoniakdoel 2035 niet gehaald.
(1) Een volume dat groter is dan wat bodem, water, lucht en natuur kunnen dragen, gericht op export. (2) Publieke prikkels die dat volume en schaalvergroting in stand houden (fiscale vrijstellingen, inkomenssteun per hectare, borgstelling zonder duurzaamheidseisen, exportbevordering) - WSER 2026-011 beoordeelt ze overwegend negatief. (3) Beleid dat de uitlaten (emissies per stal, per stof) afzonderlijk reguleert en niet de omvang; plafonds dekken alleen stal- en opslagemissies, ongeveer de helft (PBL). (4) Een dreigende maar onvoorspelbare generieke korting die investeringen remt (PBL). (5) Niet-beprijsde externe kosten: beprijzingstekort landbouw 4,2 mld (MN2027).
Effecten van de situatie zonder nieuw beleid, in € miljoen per jaar met 1 decimaal. Negatief is een nadelig effect. Lage impact is de grens die het dichtst bij 0 ligt, hoge impact de grens die het verst van 0 ligt, voor positieve en negatieve effecten. Financiële effecten zijn begrotingsuitgaven, begrotingsinkomsten en gemiste belastinginkomsten; maatschappelijke effecten zijn welvaartseffecten; risico's staan als jaarlijkse bufferpremie, kans maal schade. Onderaan staat het totaal.
| Effect | Lage impact € mln/jaar | Midden € mln/jaar | Hoge impact € mln/jaar | Hoeveelheid | Bron |
|---|---|---|---|---|---|
| Financiële effecten (begroting en gemiste inkomsten) | |||||
| Begrotingsuitgaven (huidige situatie) | -86,9 | -86,9 | -86,9 | – peiljaar 2027 | dp:1629 src:1625 |
Begrotingsuitgaven huidige situatie, ontwerpbegroting 2027. Hfdst XIV LVVN art. 21 Land- en tuinbouw, onderdeel Mestbeleid 86,9 mln: aanpak mestmarkt 66,9 en regulier mestbeleid 20,0. Beeindigingsregelingen staan in art. 25 en tellen bij analyse 51. dp:1629, Bron src:1625. Prijspeil en begrotingsjaar 2027; de bron geeft een puntraming, dus laag, midden en hoog gelijk. Uitgave, dus negatief. | |||||
| Begrotingsinkomsten (huidige situatie) | 2,2 | 2,2 | 2,2 | – peiljaar 2027 | dp:1630 src:1625 |
Begrotingsinkomsten huidige situatie, ontwerpbegroting 2027. Hfdst XIV LVVN art. 21, ontvangsten monitoring en handhaving mestbeleid 2,2 mln. dp:1630, Bron src:1625. Prijspeil en begrotingsjaar 2027; de bron geeft een puntraming, dus laag, midden en hoog gelijk. Inkomst, dus positief. | |||||
| Subtotaal financiële effecten | -84,7 | -84,7 | -84,7 | ||
| Maatschappelijke effecten (welvaart) | |||||
| Klimaateffecten (CO2-emissies, gemonetariseerd) | -6.100,0 | -6.100,0 | -6.100,0 | – peiljaar 2023 | dp:940 src:81 |
Klimaatschade van de broeikasgasuitstoot van de veehouderij, huidige situatie 2022: circa 6,1 mld euro per jaar, eigen aflezing uit de grafiek op p.17; hele landbouw 7,87 mld. LCA inclusief upstream zoals veevoer en kunstmest, ook in het buitenland, x 0,14 euro per kg CO2-eq, CE Delft 2023, prijspeil 2023. Bron src:81, dp:940. Geen bandbreedte in de bron. Schade, dus negatief. | |||||
| Omgevingseffecten (geluid/lucht/stikstof) | -5.100,0 | -5.100,0 | -6.990,0 | – peiljaar 2023 | dp:941 src:81 |
Gezondheids- en ecosysteemschade van ammoniak uit de veehouderij, huidige situatie 2022: circa 5,1 mld euro per jaar, eigen aflezing p.17; hele landbouw 5,85 mld. NH3-emissie x 53,16 euro per kg, CE Delft 2023, prijspeil 2023. Bron src:81, dp:941. Ondergrens -6.990 = -5.100 min primair fijnstof hele landbouw 0,48 mld, dp:944, min eutrofiering hele landbouw: stikstof naar water 1,30 mld, dp:942, en fosfor 0,11 mld, dp:946; van fijnstof en eutrofiering is geen veehouderij-aandeel bekend, daarom alleen in de ondergrens. Eutrofiering niet dubbel met zuiveringskosten in analyse 62. Secundair fijnstof zit al in de NH3-prijs. Schade, dus negatief. | |||||
| Biodiversiteitsverlies door landgebruik (eigen schatting) | -1.500,0 | -1.500,0 | -2.460,0 | – peiljaar 2023 | dp:943 src:81 |
Biodiversiteitsverlies door landbeslag van de veehouderij inclusief voerareaal, huidige situatie 2022: circa 1,5 mld euro per jaar, eigen aflezing p.17; hele landbouw 2,46 mld als ondergrens. Schaduwprijs 729-1.640 euro per ha per jaar, True Price 2021, dp:950. Bron src:81, dp:943. Alleen direct landbeslag; verlies door ammoniak en pesticiden apart. Geen rij voor Effect 43 in deze analyse, dus geen dubbeltelling met soortwaarde intrinsiek. Schade, dus negatief. | |||||
| Subtotaal maatschappelijke effecten | -12.700,0 | -12.700,0 | -15.550,0 | ||
| Totaal effect huidig beleid | -12.784,7 | -12.784,7 | -15.634,7 | financiële effecten + maatschappelijke effecten + risico's | |
| waarvan eigen schatting: -1.500,0 / -1.500,0 / -2.460,0 € mln per jaar (lage impact / midden / hoge impact) | |||||
Open data: help mee. Zie je een fout, een betere bron of een ontbrekend cijfer in deze analyse? Stel een correctie of aanvulling voor. Voorstellen worden alleen door een mens beoordeeld en doorgevoerd; elke wijziging wordt gelogd.
Correctie of aanvulling voorstellenDeze analyse behandelt de omvang van de veestapel als oorzaak en stikstof, mest, water, klimaat, ruimte, dierenwelzijn en gezondheid als uitlaten. ana:51 (Stikstoffonds) is daarvan een deelaspect: het fonds bestrijdt vooral een uitlaat. Mandaat 10 (Biosfeer-Integriteit) is gekozen omdat de veestapel planetaire grenzen voor stikstof en fosfor overschrijdt en de economie binnen die grenzen moet passen; dit sluit aan bij ana:26 onder hetzelfde mandaat.
Stop (overheid stopt met financieren van de oorzaak): pol:193 zuivelvrijstelling (326 mln); pol:196 OVB-vrijstelling cultuurgrond (343 mln in MN2027 voor 2027; SEO-evaluatie: niet doeltreffend en niet doelmatig, ca. 290 mln in 2026; het kabinet beperkt de vrijstelling niet tot agrariers en de Miljoenennota meldt 'reactie volgt' - src:448); pol:195 GLB-basisbetaling omvormen (338 mln; EU-voorstel GLB 2028-2034 oormerkt minimaal 300 mld EU-breed voor inkomens- en crisissteun met aftopping op 100.000 euro per bedrijf, nog niet vastgesteld, NL-envelop onbekend - bi 109, src:447); pol:197 Borgstellingskrediet alleen duurzaam (60 mln); pol:198 exportbevordering dierlijke bulk (LVVN Attache Netwerk totaal 20,6 mln in 2026, aflopend naar 18,5 mln; deel voor de veehouderij niet in de bron - bi 108, src:446; tegenover exportverdiensten van zuivel, eieren en vlees van 10,1 mld in 2024, dp:561). Bestaand en niet gedupliceerd: pol:177 landbouwvrijstelling (1.424 mln) en pol:176 generieke afbouw biodiversiteitsschadelijke prikkels (ana:26).
Bron: pol:199 volumemaatregel - voorspelbaar krimppad van 5-10% van de dierrechten met afroming (PBL); de fosfaatoverschrijding (dp:541) en de voorbereide afroming van varkensrechten laten zien dat volumesturing al nodig is; een officiele compensatieraming of juridische toets (eigendomsbescherming) van een generieke korting is niet gevonden. pol:200 extensivering, grondgebondenheid en omschakeling. Bestaand: pol:178 sturen op gemeten emissiereductie.
Herstel: pol:201 uitkoop alleen met doorhalen van rechten en borging van extensief vervolggebruik, vrijval naar natuur- en waterherstel. Bestaand: pol:179 natuurherstel per leefgebied (herstelkosten per gebied lopen via Action 193).
Effecten van de stopmaatregelen op de omvang van de veestapel zijn in de bronnen niet gekwantificeerd (WSER noemt het effect van de zuivelvrijstelling op de melkproductie onzeker; onderzoek via Actions 189 en 190); het argument is dat de overheid de oorzaak niet meer zelf financiert. Budgettair belang is fictieve derving, geen gegarandeerde opbrengst.
Beslag: de vijf regelingen samen ca. 2,5 mld per jaar (eigen optelling van bi 93, 97, 99 (2027) en bi 100, 101 (2024); verschillende jaren, fictieve derving), plus 20,6 mln exportbevordering (totaal LAN, bi 108); de stikstofpot 20 mld cumulatief t/m 2035 (bi 49), gemiddeld ca. 2 mld per jaar (eigen berekening); ruimte: 1,79 mln ha cultuurgrond (dp:521), waarvan minstens 64% voor gras en groenvoer (dp:547) en ca. 180.000 ha (10% van het landbouwareaal) in de zones rond natuur (PBL, src:348). Daar staan exportverdiensten van zuivel, eieren en vlees van 10,1 mld (2024, dp:561) tegenover, en maatschappelijke kosten in de vorm van gezondheidsschade bij omwonenden (dp:556, dp:559) en milieuschade (dp:524).
Een officiele vergelijkende doorrekening van de brede-welvaartsopbrengst per euro over domeinen heen bestaat niet (uitgezocht in Action 257/258): de planbureaus beschrijven synergieen en afruilen alleen kwalitatief (src:331, p.35-38) en de Aanvulling Leidraad MKBA brede welvaart geeft alleen de methode per maatregel (src:400). Deze vergelijking blijft dus kwalitatief.
Verdrongen dossiers met een hogere of gelijke score (S+E; deze ana:8+ana:8 = 16): hoger - 4 Acute armoede-escalatie (10+10), 11 Boetestapeling (10+10), 3 Zorg-bureaucratie (9+8), 19 Fossiele subsidies (9+8, zelfde type schadelijke prikkel), 5 Energie-afhankelijkheid (8+9); gelijk - 43 PFAS (8+8), 46 Netcongestie (8+8). Relevant maar lager (15): 51 Stikstoffonds (zelfde budget), 34 Woningnood (ruimte en stikstof), 42 Handhaving milieuwetten, 49 Toeslagenstelsel. Scores zijn indicatieve expertscores, geen brede-welvaartsrendement.
26 (staat van de natuur; pol:176-179), 51 (Stikstoffonds; deelaspect van deze analyse), 40 (pesticiden), 42 (handhaving), 43 (PFAS, bodem en water), 19 (fossiele en schadelijke subsidies), 22 (Schiphol, stikstofruimte), 34 (woningnood, stikstof- en ruimteclaims), 60 (defensie, ruimteclaim), 45 (NII, mogelijk financieringskanaal - niet onderbouwd), 55 (arbeidsmigratie in vleesverwerking - niet onderzocht).
Stoppen of krimpen verlaagt de waarde van het onderpand van veehouders (stallen, rechten, soms grond). De vraag is wie dat verlies draagt: de staat via uitkoop, de boer via een restschuld of de bank via afschrijving. Sinds 28-09-2026 staat dit in drie concept-policies: 205 (B3 bron: wettelijke verliesdeling voor nieuwe leningen, prospectief), 206 (H2 herstel: bestaande leningen, opties A-D; keuze en bankaandeel bij Harmen, aanbeveling politician C met B als eerste toepassing, Action 275) en 208 (politieke optie: het voordeel van geldschepping afromen in plaats van vorderingen van de balans te halen). Toepassing 1 is deze analyse (pol:199/pol:201), toepassing 2 is de afbouw van de hypotheekrenteaftrek (ana:17).
Relaties tussen pol:205, pol:206, pol:208 en pol:199/pol:201 en ana:17 zijn niet vastgelegd als policy_alternative/claim (tabellen niet toegankelijk). Open punten staan in Action 274 (datascraper) en 277 (Rabobank jaarverslag 2025, MDA eind 2025).
Het groengasdossier staat in ana:64 (subject 138 Biogas, gekoppeld aan 131 Veeteelt, 22 Biomassa en 270 Nitraat en mest). Daar staan de kosten van het huidige beleid als referentie: SDE++ 2025 voor vergisting tot hernieuwbaar gas 602 mln (pol:235) en de bijmengverplichting groen gas, waarvan mest ca. 63% van de reductie levert (pol:236; meerkosten mestdeel 306/558/810 mln/jr vanaf 2031). Ongeveer de helft van het klimaatvoordeel van mestvergisting is vermeden methaan uit mestopslag; dat beleid geeft het mestvolume een verdienmodel en botst daarmee met krimp. Stop-policy 237 (geen nieuwe SDE++ en geen BMV-meetelling voor mest uit intensieve veehouderij) is hub van pakket groengas_mest_alternatief (package 3), met pol:199 uit deze analyse als bronmaatregel (geen nieuwe krimppolicy aangemaakt). pol:199 heeft nu effecten voor het rundvee-aandeel van 5/7,5/10% krimp: klimaat 20/107/224 mln/jr (pe 115) en NH3 88/213/391 mln/jr (pe 116); producentensurplus en frictie PM (pe 117, 118). Relaties: 199 overlapt 235 (mestbonus niet dubbel tellen), 239 versterkt 199.
Aanleiding: de Parool-opinie van Armanda Govers (src:1056; volledige tekst gelezen), die verwijst naar Lubach (src:1055, secundair). Wereldwijd gaat 39,7-40,6% van het graan naar veevoer (FAO 2022-2023, dp:986, src:1049; de '41%' klopt ongeveer) en 75-77% van de soja (dp:988, src:1050-1051; '80%' is iets te hoog). In Nederland is dat 73-75% van het binnenlandse graangebruik (dp:987).
Bruto conversie. Van 100 g voereiwit komt als eetbaar eiwit terug: ei 25 g, melk 24, kip 19,6, varken 8,5, overig vlees (schaap en geit, niet alleen lam) 6,3 en rund 3,8 (Alexander et al. 2016, Global Environmental Change, Tabel 1; dp:980-985, src:1047). Dat is een bruto maat: al het voereiwit telt mee, ook gras, gewasresten en bijproducten die mensen niet eten. Het verlies van 75-96% uit de opinie overschat daarom wat er aan voedsel voor mensen verloren gaat.
Conversie op mens-eetbaar eiwit (tegenargument). Volgens de FAO (Mottet et al. 2017, src:1048; volledige tekst gelezen) bestaat 86% van het mondiale veevoer (6 mld ton droge stof, 2010) uit materiaal dat mensen niet eten; granen zijn 13% van het rantsoen maar wel 32% van de mondiale graanproductie (dp:989). Per kg vlees zonder bot is 2,8 kg (herkauwers) tot 3,2 kg (varkens en pluimvee, legkippen niet meegerekend) mens-eetbaar voer nodig (dp:990). Op eiwitbasis vraagt 1 kg dierlijk eiwit bij herkauwers gemiddeld ca. 0,6 kg mens-eetbaar voereiwit (graasystemen 0,2-0,5, feedlots 3,5-4,1) en bij varkens en pluimvee ca. 2,0 kg (industrieel 2,9-5,2) (dp:991). Correctie na lezing van de volledige tekst: deze cijfers tellen sojaschroot niet mee als mens-eetbaar. Telt sojaschroot wel mee, omdat het de sojateelt drijft, dan wordt het 1,0 kg voor herkauwers (geen netto eiwitwinst meer) en 4,2 kg voor varkens en pluimvee; voor gemengde rundveehouderij in OECD-landen, het dichtst bij Nederland, 0,7 zonder en 1,2 met sojaschroot (dp:999). Herkauwers plus erfvarkens en erfkippen leveren zonder sojaschroot netto ca. 4 Mt eiwit per jaar op, met sojaschroot een tekort van ca. 11 Mt (dp:1000). Voor Nederland, met 1,45-1,55 Mt sojaschroot per jaar (dp:994), is de variant met sojaschroot de relevante. Van de 2,5 mld ha voor veevoer is 57% grasland dat niet geschikt is voor akkerbouw; daarnaast gaat ca. 560 mln ha akkerland, ongeveer 40% van het mondiale akkerland, naar voer (dp:1001). Kanttekeningen: dit zijn mondiale gemiddelden met veel extensieve begrazing, en ook voer dat mensen niet eten groeit deels op grond waar voedsel kan groeien (snijmais, voergraan). De stelling uit de opinie dat plantaardig voedsel en kweekvlees geen verliezen kennen, klopt niet.
Nederland. De Nederlandse veestapel draait niet alleen op gras en reststromen. Van de mengvoergrondstoffen komt 22,1-23,6% van buiten Europa (dp:992), van het totale rantsoen is 50,2-51,2% geimporteerd (dp:993) en jaarlijks gaat 1,45-1,55 Mt sojaschroot in diervoeder (dp:994; WUR, src:1052). In Nederland gaat 64% van de cultuurgrond naar gras en groenvoer (dp:547); daarbovenop is in het buitenland ca. 2,9 mln ha nodig voor geimporteerd veevoer (WKR 2024, dp:995, src:1053), en voor het hele Nederlandse voedselpakket 4,7 mln ha buitenland naast 1,6 mln ha in Nederland (dp:996). De opinie rekent hier iets te ruim: gras en groenvoer beslaan 1,15 mln ha, ongeveer een derde van het Nederlandse landoppervlak (ca. 3,4 mln ha) en geen 'bijna de helft'; dat klopt alleen voor alle cultuurgrond (1,79 mln ha, dp:521). Ook 'buiten Nederland een oppervlakte groter dan heel Nederland' voor veevoer klopt niet: 2,9 mln ha is kleiner; alleen het WUR-cijfer voor voedsel en veevoer samen (4,7 mln ha) is groter. Het calorieensaldo uit de opinie klopt: volgens dezelfde WUR-studie importeert Nederland 74 biljoen kcal aan voedsel en veevoer en exporteert het 25 biljoen kcal (src:1054). Met een meer plantaardig dieet kan dezelfde grond volgens een WUR-model 10-18 mln mensen extra voeden (dp:997, src:1054; prognose). Het voedselzekerheidsargument voor een kleinere veestapel rust dus vooral op deze afhankelijkheid van geimporteerd voer en buitenlandse grond, niet op de bruto conversiecijfers.
Koppeling met Deloitte (alternatief 3, eiwittransitie). In The Hidden Bill (src:81) dalen de maatschappelijke kosten met eiwittransitie (bovenop biologisch en slimme innovatie) met 58%, bij vrijwel gelijke toegevoegde waarde (13,2 tegenover 13,3 mld) en met 55% minder geimporteerd veevoer (dp:953; reeks dp:951-954). Dat sluit aan bij de WUR-cijfers hierboven. De bedragvelden van deze analyse zijn niet aangepast.
Policies. Er bestaat geen aparte policy voor eiwittransitie of afbouw van veevoerimport; verwant zijn pol:193, pol:195, pol:199 en pol:245. Een perverse prikkel bij veevoer is niet gevonden: het verlaagde btw-tarief op veevoer is per 1-1-2025 vervallen (src:1057), en het EU-nultarief op soja is EU-handelsbeleid. Een heffing op geimporteerd veevoer zou een bronmaatregel zijn, geen stopmaatregel. Daarom is geen nieuwe stop-policy vastgelegd.
Methode: Welfare-Adjusted Life Years, WALY, van Teng e.a. 2018 (src:1923), afgeleid van de DALY. WALY = YLIW + YLL. YLL is de tegenfeitelijke levensduur min de werkelijke levensduur; YLIW is prevalentie x duur x welzijnsgewicht (0 optimaal, 1 slechtst). Uitgangspunt is de intrinsieke waarde van het dier: een koe heeft recht op het leven dat zij zelf gewild zou hebben. De tegenfeitelijke levensduur is daarom de natuurlijke levensduur, ca. 20 jaar (dp:1803, schatting, bron is een belangenorganisatie, src:1924). Het voortbestaan van de soort telt hier niet mee. Dit is een niet-monetaire indicator; een eurowaardering kan hooguit ernaast staan, nooit in plaats ervan.
Resultaten 2025, niet-gewogen YLL: melkkoe 20 - 6,03 = 13,97 jaar per dier (dp:1804, src:1917), x 464.900 geslachte koeien (dp:1805) = ca. 6,49 mln levensjaren (analysis_effect 105). Vleeskalveren: slachtleeftijd 25 weken blank tot 30-40 weken rose (dp:1809, dp:1810, src:1919), dus 19,2-19,5 jaar per dier, x 1.365.500 kalveren (dp:1806, src:1918) = ca. 26,3-26,7 mln (analysis_effect 105); de verdeling blank/rose is onbekend (Action 363). Totaal ca. 32,8-33,1 mln verloren levensjaren per jaar (analysis_effect 105), zonder stieren en vaarzen. Bijna de helft van de kalveren wordt geimporteerd (src:1919), wat de toerekening aan NL beinvloedt.
Welzijn tijdens het leven, YLIW, nog niet gewogen: kreupelheid gemiddeld 28% van de melkkoeien (dp:1807, src:1921) en klinische mastitis 27 gevallen per 100 koeien per jaar (dp:1808, src:1920). Bij een volwassen fase van ca. 3,9 jaar is dat ca. 1,1 kreupel jaar per koe (schatting). Welzijnsgewichten voor runderen ontbreken en worden niet zelf verzonnen (Action 362); de academische bron voor de natuurlijke levensduur volgt via Action 364.
Fysieke samenhang (RuleId 8): het aantal verloren levensjaren schaalt met het aantal dieren en dus met grond, voer, water en mest; krimp van de veestapel verlaagt alle uitlaten tegelijk. Volgorde van maatregelen (RuleId 10): eerst stoppen met subsidies en vrijstellingen die de omvang of de korte levensduur belonen, zoals de policies onder Maatregelen in volgorde; pas daarna bronmaatregelen zoals langere levensduur, weidegang en betere huisvesting.
Gemonetariseerde testvariant (23-10-2026): op basis van een normatieve testaanname van Harmen Bos is een gezond levensjaar van een koe gewaardeerd op 0,01 maal het menselijke VOLY van 100.300 euro, kengetal 37 (dp:1814, dp:1022), dus 1.003 euro per levensjaar (679 tot 1.511), met 0,10 als gevoeligheidsvariant (eerder hoofdvariant, met 0,25 als gevoeligheid; aangepast 23-10-2026 op keuze van Harmen Bos). Dit staat als effectregel Dierenwelzijn: verloren levensjaren in de tabel Effecten van de huidige situatie (analysis_effect 105), met 33,1 mln verloren levensjaren als hoeveelheid. Uitkomsten per jaarlijks slachtcohort, levenslang verlies en niet verdisconteerd: melkkoeien ca. 6,5 mld euro, 4,4 tot 9,8 mld; vleeskalveren blank ca. 19,0 mld, 12,8 tot 28,6 mld; vleeskalveren rose ca. 7,7 mld, 5,2 tot 11,6 mld, met de kalveren verdeeld 71/29 (dp:1822); totaal ca. 33,2 mld euro, 22,5 tot 50,0 mld (v_animal_valuation). Per melkkoe is dat ca. 14.000 euro (13,97 jaar x 1.003 euro). Bij gevoeligheidsfactor 0,10 is het totaal ca. 332 mld euro, 224 tot 500 mld. Met de referentiewaarde van het Zorginstituut, 50.000 euro per QALY (dp:238), halveren deze bedragen ongeveer. De regel telt bewust mee in het totaal, op keuze van Harmen Bos: hij laat zien wat er met de balans gebeurt zodra dierlijk leven überhaupt een waarde krijgt, ook als dat maar 1% van een menselijk levensjaar is. De totale schade van de huidige situatie komt daarmee op ca. -46,0 mld euro per jaar (-65,6 tot -35,2 mld), waarvan ca. -33,2 mld uit de testwaardering van dierlijke levensjaren tegen 0,01 VOLY en ca. -12,8 mld uit de overige posten; bij 0,10 zou het totaal ca. -344,5 mld zijn. De bedragen blijven een testvariant en worden altijd getoond naast de niet-monetaire verloren levensjaren.
Aanvulling 23-10-2026: de gewichten van 0,5 voor mastitis en kreupelheid in dp:1818 meten productieverlies en geen welzijn, dus YLIW blijft PM. De tegenfeitelijke levensduur van 20 jaar wordt nu ook ondersteund door de maximale levensduur in gevangenschap volgens AnAge (dp:1820, src:1927), al is de datakwaliteit daar twijfelachtig. De kalveren zijn verdeeld over blank en rose via de SKV-verhouding van opgezette kalveren, 71/29 (dp:1822).
Publiek en juridisch draagvlak (23-10-2026): het principe dat dierlijk leven een eigen waarde heeft, is breed verankerd. De Wet dieren erkent in art. 1.3 de intrinsieke waarde van het dier (src:1890) en art. 13 VWEU erkent dieren als wezens met gevoel (src:1950); geen van beide kent een productiedier een recht op leven toe, slacht blijft toegestaan. Het amendement-Vestering op art. 2.1 Wet dieren (2021) is nooit in werking getreden en sinds 1-7-2024 vervangen door de norm van dierwaardige veehouderij uiterlijk 2040 (src:1959). In de publieksenquete van de Raad voor Dierenaangelegenheden (2022, n=2.082) vindt 79% van de Nederlanders dat dieren een moreel recht op leven hebben, ca. 99% kent dieren een eigen waarde toe en 54% is het oneens met de stelling dat het doden van dieren gerechtvaardigd is mits snel en pijnloos (src:1951). Europees vindt 84% dat het welzijn van landbouwhuisdieren beter beschermd moet worden; in Nederland vindt 26% dat niet nodig (src:1952). De hoogte van de factor 0,01 is daarentegen een normatieve keuze van Burgerplatform en volgt niet uit deze bronnen. Bij 0,01 is een koeienlevensjaar 1.003 euro waard; dat ligt dichter bij, maar nog steeds boven, wat betalingsbereidheid en true price opleveren. Betalingsbereidheidsstudies meten alleen kleine premies voor beter welzijn (src:1957, src:1958), en true-price-methoden waarderen alleen het welzijn tijdens het leven, op ca. 1 tot 27 euro per kg (src:1955, src:1956); die zijn als lage variant te zien. CE Delft laat dierenwelzijn in de echte prijs van vlees juist buiten beschouwing (src:1953, src:1954). De testwaardering illustreert dus wat er gebeurt als je dierenleven gaat waarderen; ze pretendeert geen marktwaarde.
Gevonden in Action 268: gezondheid omwonenden en fijnstof (dp:556-559), exportverdiensten van zuivel, eieren en vlees (dp:561) en een proxy voor dierenwelzijn (dp:560). Nog open: uitgegeven fosfaatrechten melkvee (RVO; besluit over een informatieverzoek ligt bij Harmen, Action 270); een officiele monitor met kwantitatieve dierenwelzijnsindicatoren (alleen de keurmerkproxy); het aandeel van de veehouderij in de exportverdiensten (geen totaal uit dezelfde editie); monetarisering van de gezondheidsschade rond veehouderijen; compensatieraming en juridische toets van een generieke korting (pol:199; politieke en juridische beoordeling, Action 270); LAN-budget per sector; NL-envelop GLB na 2027; effect van het afschaffen van de regelingen op de veestapel (Actions 189/190); herstelkosten per gebied (Action 193); vergelijkende brede-welvaartsopbrengst per euro (bestaat niet officieel). Financiele schakel (Action 276): NL-effect van verliesdeling op rente en kredietverlening; bankaandeel in de landbouwschuld en restschulden (274); MDA en RWA Rabobank eind 2025 (277); indeling van een wettelijk opgelegde afschrijving zonder instemming van de bank onder de defaultdefinitie (EBA/ECB); omvang van het geldscheppingsvoordeel van NL-banken en opbrengst van de bankenbelasting.
S/C/E: E verhoogd van 7 naar 8 (28-09-2026). Motivering: de nieuwe gegevens tonen acute escalatie op korte termijn - fosfaatprognose 2026 boven het nationale plafond en het melkveeplafond (dp:541) met voorbereide afroming van varkensrechten, einde derogatie in 2026 met een gemodelleerd inkomensverlies van 27-51% voor melkveebedrijven (dp:544), en nitraat boven de norm zonder structurele verbetering sinds 2012 (dp:543). S (8) en C (8) ongewijzigd. Na Action 268 (28-09-2026) zijn S/C/E opnieuw beoordeeld en ongewijzigd: de gezondheidsgegevens (dp:556-559) onderbouwen S = 8, maar de omvang (landelijk ca. 841 extra longontstekingen, 19 opnamen en 8 doden per jaar) is geen reden voor een hogere schadescore; de exportverdiensten (dp:561) en de welzijnsproxy (dp:560) veranderen de complexiteit en het escalatierisico niet. Na Action 276 (28-09-2026) opnieuw ongewijzigd: de juridische, prudentiele en kredietgegevens betreffen de vormgeving van maatregelen, niet de schade, de complexiteit van het probleem of het escalatierisico.
S/C/E 23-10-2026: opnieuw beoordeeld en ongewijzigd (8/8/8). De verloren levensjaren (analysis_effect 105) maken de dierenwelzijnsschade zichtbaar, maar S stond al op 8 en zonder welzijnsgewichten is een hogere score niet onderbouwd; de methode verandert de complexiteit en het escalatierisico niet.
S/C/E 23-10-2026, na opname van analysis_effect 105 in het totaal: S verhoogd van 8 naar 9. Motivering: ook zonder de testwaardering is de schade groot; met dierlijk leven gewaardeerd tegen slechts 10% van een menselijk levensjaar wordt de dierenwelzijnsschade de grootste post van de analyse, ca. 26 keer de overige gemonetariseerde schade (bij de hoofdvariant 0,01, sinds 23-10-2026, nog ca. 2,6 keer, en nog steeds de grootste post). Geen 10, omdat het bedrag rust op een normatieve testaanname en YLIW nog PM is. C en E blijven 8.
Per maatregel het welvaartssaldo (vóór overlapcorrectie) en daaronder elke effectregel: bandbreedte, klasse, thema, rekenregel en bron. Overdrachten en begrotingsposten staan erbij, maar tellen niet in het welvaartssaldo.
€ 88 mln tot € 391 mln per jaar
Middenwaarde € 213 mln · prijspeil 2021
Correctie voorstellen€ 20 mln tot € 224 mln per jaar
Middenwaarde € 107 mln · prijspeil 2021
Correctie voorstellenDeze effecten hebben nog geen bedrag en tellen niet mee in de bedragen hierboven. Klik door naar de effectregel.